“ VERLAAT ALLES EN JE ZAL ALLES VINDEN.”
Navolging van Jezus-Christus( B. III hst. 32)
 
In Peru opende de Heer mijn ogen en leerde me veel. Vooreerst de ogen van mijn ziel: mijn geloof, verzwakt door mijn goed geregeld en misschien een beetje gemakkelijk leventje, werd levendiger. Hij liet me zijn liefde in me groeien. Hij opende ook de ogen van mijn hart door me Hem te leren  zien en beminnen in elke arme, kind en zieke. De ogen van mijn geest, goed gesloten door het comfort dat ik had in Frankrijk, Hij opende ze door me bewust te maken wat echte armoede is, de echte nood van mijn arme broeders en de manier om ze te helpen zonder ze nog armer te maken. De Heer opende ook de ogen van mijn lichaam via de aanschouwing: zonder moeite en met verwondering, voor die prachtige landschappen van de Andes, de fauna en prachtige flora die een bewijs te meer zijn van de oneindige Goedheid, van de Liefde en van de Schoonheid van de Hemelse Vader.

Na verpleegstersstudies beëindigd te hebben en enkele maanden in een groot hospitaal in mijn streek gewerkt te hebben, verdiende ik zoveel geld dat ik er bang van werd. Daarom besliste ik mijn droom als klein meisje te realiseren: “gratis alle armen in Afrika verzorgen”. De organisatie met de welke ik ging vertrekken stelde me eerst een missie voor in Kameroen maar vroeg me tenslotte een andere missie te aanvaarden, in een ander continent, waar ze een andere taal spreken: een missie in de sloppenwijken van Arequipa, ten zuiden van Peru.

Nooit had ik gedacht aan Latijns-Amerika, maar voor mij kwam de opdracht van God. Nooit had ik Spaans geleerd en nog nooit had ik een vreemde taal op school geleerd maar God zou me zeker te hulp komen. Het was niet mijn plan maar het was zijn Wil. Ik heb het aanvaard. Ik zal voor twee jaar naar Peru gaan, daarna terug in Frankrijk als verpleegster werkzaam zijn, er is toch zo een tekort aan verpleegsters in mijn land, ik zal mijn huis hebben, mijn auto… ik zal kinderen hebben… Dat waren mijn plannen.

Heel enthousiast en moedig kwam ik in Arequipa aan, denkend dat ik al mijn armen uit hun armoede zou kunnen trekken.
Er begon voor mij een tijd van zegeningen en zuiveringen. Ik moest me van alles onthechten: mijn land, mijn comfort, mijn taal, maar op de eerste plaats mijn plannen. Ik dacht te werken volgens een bepaalde manier en ze legden me een andere manier op. Ik was gekomen om gratis verzorging te verstrekken maar ik moest ze laten betalen (een symbolische prijs, toelatend aan die mannen en vrouwen hun menswaardigheid terug te vinden). Ik dacht snel Spaans te leren en met iedereen te kunnen praten maar ik ben enkele maanden stom geweest zonder één woord te zeggen, verzorgend en opbeurend, zonder een woord te spreken, terwijl ik toch van mijn beroep houd omwille van haar relationele en humane kant. Ik dacht rustige avonden en weekends te hebben maar de armen kwamen aankloppen op gelijk welk ogenblik. Dikwijls moest men hen begeleiden naar het hospitaal en trachten te bekomen dat ze opgenomen en verzorgd zouden worden, ofwel moest men een gezin in conflict kalmeren omwille van een dronkaard, of nog een grootmoeder opvangen die haar weg kwijt was, tot er ontdekt werd waar ze woont, enzovoort… Ik bevond me onmachtig en arm tegenover zoveel miserie. Zeker omdat ik ontdekt heb dat de echte arme niet zo perfect of heilig is, zoals ik het me ingebeeld had, maar dat hij nood had aan broederlijke liefde en Jezus leren kennen, arm zoals hij, lijdend zoals hij en die Hem graag ziet. Het meest aangrijpende voor mij was elke dag te leven van deze woorden van Jezus: “Geef en je zal krijgen.” Ik was gekomen om te geven en in werkelijkheid kreeg ik veel meer dan dat ik aan de armen gegeven had. Jezus openende mijn hart tot dit land dat ik reeds als het mijne beschouwde en de armen in wie Hij zich presenteerde aan mij, maar ik zei Hem: “Jezus! Ik zal hier niet blijven. Je kent mijn projecten: ik blijf maar twee jaar in Peru, daarna wil ik terug naar Frankrijk, en er trouwen…”.

De Heer trok me steeds meer naar dat land door me gehandicapte kinderen te laten zien, verstopt in een hoek van een huis van een beschaamde familie, die dacht dat die kinderen een straf van God waren, een vloek. Ze zullen het onvoorziene in mij provoceren. Na negen maanden Peru kwam ik na een vergadering over gehandicapte kinderen buiten met deze zeer sterke zekerheid: “Ik moet in Peru blijven. Mijn hart heeft dorst om nog meer gehandicapte kinderen en armen van hier en elders, te helpen, langer dan twee jaar en misschien… heel mijn leven!”

De Heer was begonnen zijn Wil in mij bekend te maken, door al mijn plannen in de war te sturen en te zeggen: “Laat me alles en je zal alles vinden.” Hij vroeg me al mijn vertrouwen in Hem te leggen. Een zeer hevige strijd begon. Ik dacht: “ik wil trouwen, die zo grote gave gebruiken die God aan ons vrouwen gegeven heeft door mee te werken aan het scheppingswerk, het leven geven, ik wil moeder zijn. Maar als ik trouw zal ik mij niet volledig kunnen geven aan mijn armen omdat ik me zal toewijden aan mijn echtgenoot en aan mijn kinderen. En mijn ouders, Heer, ze hebben me zoveel gegeven, te beginnen met hun grote liefde, en ik zou ze doen lijden door op de andere kant van de wereld te blijven. Wat ben ik ondankbaar!”
“Laat alles aan Mij over en je zal alles vinden” herhaalde de Heer me. In die dagen van strijd ontving ik een tijdschrift van de Missionarissen Dienaars der Armen van de Derde-Wereld dat mijn moeder me toezond. Ik herinnerde me dan het eerste tijdschrift dat mijn broer benedictijn me gegeven had bij mijn vertrek me zeggende: “Neem het mee, het komt me voor dat het een werk is van God voor de armen van Cusco. Je gaat naar Peru, je moet hen gaan bezoeken en er kennis mee maken.” Ik had het nog niet gelezen. Ik las dus de twee. Het ging over de armen, de verlaten kinderen, gehandicapten, de missies in de dorpen van de Cordilliera, verzorgd door de priesters, de broeders, de koppels en de zusters, werkelijke moeders van allen. “ Deo gratias!” (“Brengen we dank aan God!”) Dààr lokte me de Heer. Het is daar dat ik me geroepen voelde.
Ondertussen streed ik verder: “‘k Heb mama beloofd terug te keren naar Frankrijk, ‘k zal haar verdriet aandoen moest ik hier blijven! Ik wil trouwen en een christelijk gezin stichten, het leven geven aan nieuwe kinderen van God!”. Ik was nog onzeker en ik had grote bekorigen: ik had de hulp nodig van mijn Hemelse Moeder. Na talrijke aanroepingen tot
“Moeder van Goede Raad” , “Morgenster” , “Koningin van de Vrede” en van “de zeer Heilige Rozenkrans” had ik de kracht “JA” te zeggen aan de roepstem van de Heer op de vooravond van het feest van O. L. Vrouw van de Heilige Rozenkrans. Ik wijdde me gans toe aan Haar. Plotseling overkwam me een grote vrede en een oneindig geluk.
De Zusters Dienaressen der Armen van de Derde-Wereld lieten me toe bij hen een retraite te doen teneinde hen te leren kennen en te ontdekken als de Heer me daar werkelijk roept. Zoals de tijdschriften het verhalen heb ik er werkelijke moeders van zoveel kinderen en armen ontdekt, hun prachtige taak vervullend, lichamelijke wonden verzorgend, psychische en morele. Ze geven het kindschap, de onschuld en het geluk terug aan de kinderen die reeds zoals volwassenen geleden hebben en zelfs nog veel meer dan de meeste van hen. De zusters doen het vanuit  de liefde en de dichte aanwezigheid van Jezus en Zijn Heilige Moeder Maria. Ik ontmoette deze zusters zijnde vol liefde voor Christus die me van het eerste ogenblik onthaalden als één der hunnen. Jezus wou me in deze gemeenschap, als Dienares der Armen.
Ik wou er blijven bij de Dienaressen der Armen, aanstonds binnentreden maar had mijn contract in Aréquipa niet beëindigd.’k Moest nog een jaar doen. De Heer gebruikte dat jaar om me mijn geduld, mijn liefde en mijn vertrouwen in Hem op de proef te stellen. Na dat genadejaar in Aréquipa beëindigd te hebben, meermalen de zusters en mijn kinderen van de Foyer “Heilige Theresia van Jezus” te hebben bezocht, moest ik voor 3 maanden terug naar huis.
In januari 2005, integreerde ik me eindelijk in de gemeenschap van de Zusters Missionarissen Dienaressen der Armen, overspoeld door een overgroot geluk, gezuiverd door het afwachten.
Als toekomstige bruid van Christus voelde ik me snel moeder van zoveel geestelijke kinderen; ik kreeg het verlangen moeder te zijn en het leven met zoveel kracht door te geven dat ik me verzadigd voel door dit geestelijk moederschap. Ik beleef werkelijk wat een priester me eens zei: “Het vrouwelijk religieuze leven is een hemelvaart van het moederschap”.
Mijn kinderen, vooral onze gehandicapte kinderen, leren me Jezus in hen te zien lijden in stilte: Deus Iesus Patiens. Ik behoud diep in mijn geheugen het voorbeeld van het afsterven van Jhon Edmundo, één van onze verlamde kinderen. Ik hield me bezig met hem en zag hem in gans zijn lichaam zwaar lijden en meer nog toen hij in quarantaine geïsoleerd werd wegens een besmettelijke ziekte. Jhon Edmundo is vertrokken op dezelfde manier als hij geleefd had: in stilte lijdend, niemand storend en vrede overbrengend aan wie zich in zijn nabijheid bevond. Elke avond verliet ik hem, ongerust dat hij die nacht zou overlijden, maar.. hij vertrok in volle dag … om niemand wakker hoeven te maken en opdat het allemaal veel gemakkelijker zou zijn. Zijn gezicht was prachtig, sereen, vredevol als wou hij ons zeggen: “Wees niet bedroefd, ‘k heb gedaan met lijden, ik ben met Jezus om voor jullie te pleiten”. Zijn overlijden heeft me veel kracht gegeven en Jhon blijft mijn bewaarengel. Het voortdurend contact met de onschuldige, arme, lijdende kinderen leert ons een “kinderhart, eenvoudig en transparant zoals een bron…” te hebben om de woorden van Jezus te realiseren: “Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan” (Mt 18,3).
Mijn Zusters voor het merendeels Peruaans geven me ook veel. Door hun grote liefde voor de Heer onderrichten ze me veel, door hun grote werkcapaciteit, het geduldig dragen van hun lijden, hun nederigheid, enz… Die bekwaamheid die ik door mijn “gouden” kinderjaren niet bezit. Ik bedank er eindeloos mijn beste ouders voor die zichzelf opofferen opdat ik niets te kort zou komen.
De missie in de dorpen heeft me een realiteit laten zien dat ik vooraf niet kende: ik ontdekte er extreme armoede. Die mensen leven zonder stromend water, zonder elektriciteit, zonder sanitaire voorzieningen, ze eten slechts aardappelen en maïs, bezitten slechts 1 kamer, in gestampte aarde, om 7 tot 10 personen onderdak te geven, ze hebben geen medische bijstand (het dichts bijgelegen dispensarium is op 1 uur gaans en ze worden erg berispt als een vrouw er niet komt bevallen!) enz… Hun enige bekommernis is: overleven!
Tegenover zo een situatie zouden we onmogelijk iets goed kunnen doen als we niet in de eerste plaats een leven van gebed en intieme communie met de Heer hadden. De Eucharistie en de Eucharistische Aanbidding, is het centrum van onze dagen en ons leven. Die intieme tegemoetkomingen met de Beminde zijn voor mij werkelijke bronnen van geluk en kracht, de motor en de zon van mijn dagen. We hebben ook in alle gangen en hoeken van het huis, de altijd open gespreide armen van Jezus op het kruis klaar om ons bij moeilijkheden te verwelkomen. Ze zijn een grote toevlucht en een grote les van de Oneindige Barmhartigheid van onze God die ons bemind heeft  tot sterven toe wijl Hij ons alles vergaf: “Vader, vergeef het hun; want ze weten niet, wat ze doen.” (Lc 23,34)
Het is onmogelijk het Paradijs op aarde te beleven want ons aardse leven is juist gemaakt om ons toekomstig leven in de Hemel voor te bereiden. In deze wereld zal het kruis nooit ontbreken: ze is noodzakelijk om steeds meer op Jezus te gelijken en de heiligheid te bereiken. Maar diegene die de wil van God doet krijgt een regen van genaden waarbij geluk en kracht open bloeit. Zo schijnt alles te vergemakkelijken en aanneembaar te worden en kunnen we een idee krijgen van wat de hemel zal zijn in de aanwezigheid van God , de Bruidegom. Als novice ben ik vandaag een gelukkige verloofde en overladen door haar Verloofde die Zijn belofte waarmaakt: “laat alles achter en je zal alles krijgen”. Zo dikwijls wil ik met mijn zeer Heilige Moeder zingen: “mijn ziel prijst de Heer, en mijn geest juicht van geluk in God mijn Redder, want Hij heeft neergezien naar zijn dienstmaagd;” “De Heer deed in mij wonderdaden, glorie aan de Heer.”
“Verlaat alles en je zal alles vinden” zegt de Navolging van Christus, onze leef regel. Doordat ik alles verliet, ik mag er getuige van zijn, vond ik het Al: mijn God,mijn Heer. Met Hem mist men niets noch niemand.
“Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand, die huis, broers of zusters, vader of moeder, kinderen of akkers om Mij en om het evangelie verlaat, of hij zal het ontvangen: nu in deze wereld, zij het ook te midden van vervolgingen, het honderdvoud van huizen, broers, zusters, moeders, kinderen en akkers, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.” (Mc 10, 29-30)

Zuster Bénédicte Kauffmann, mda.
Hno. Rafael Santillán Rodríguez, msp